De Atari Jaguar maakte als eerste gebruik van UMA (Unified Memory Architecture), maar de Nintendo 64 was de meest succesvolle console met de UMA. De UMA gebruikt een stuk RAM (Random access memory, computeropslag die opgevraagd kan worden in elke volgorde). Alle processors gebruiken dus hetzelfde memory.
Het voordeel van de UMA is dat de programmeur zelf kan beslissen hoe hij/zij het geheugen (memory) gaat verdelen over programmacode, grafische data, geluidsdata etcetera. In oudere systemen dan de N64 (Sony PlayStation, Sega Saturn) was er een x aantal ram toegeschreven aan elk onderdeel. Kortom, als een PlayStationspel de RAM die is toegewezen aan geluid niet optimaal benut, kan die ruimte niet worden vrijgemaakt voor graphics. De UMA, en dus de N64, kon dat dus wel.
De Nintendo 64 gebruikt "36Mbits of RAMBUS 9bit DRAM", dit staat gelijk aan 4 megabytes om het maar even normaal uit te drukken. De hoge snelheid van het geheugen (memory), samen met de 256k cache (opgeslagen data die niet meer opnieuw berekend hoeft te worden) voor zowel de R4300i en RCP, zorgde ervoor dat het systeem de UMA ten volle kon benutten.